Februari 2026
Schimmelvrij bouwen en renoveren
TNO ontwikkelt voorspellende simulatiemodellen en meetmethodes
Schimmelvorming in woningen en andere gebouwen is een probleem dat al langer bestaat. Omdat zowel de risico’s van schimmelvorming toenemen áls het aantal mensen dat gevoelig is voor deze micro-organismen, hebben TNO, Westerdijk Instituut en Expertisecentrum Schimmelinfecties hun kennis gebundeld. Hiermee kan TNO verder onderzoek doen naar meetmethoden en voorspellende simulatiemodellen gericht op schimmelvorming.
Wereldwijd bestaan er miljoenen schimmels, waarvan het grootste deel in de buitenomgeving leeft. Een (veel) kleiner deel vindt een groeiplaats in woningen en gebouwen. Welke schimmel waar gedijt, hangt af van de vochtigheid, de temperatuur en de beschikbaarheid van voedingsstoffen. Deze voedingsstoffen bevinden zich in de ondergrond waar de schimmel zich nestelt. Bij woningen en gebouwen betreft dit dus onder andere specifieke bouwmaterialen (het substraat). Bij deze materialen spelen de vochtcapaciteit en de vochttransporteigenschappen een rol, maar ook de chemische eigenschappen zoals zuurtegraad, zout- en zuurstofgehalte. Bovendien levert elk bouwmateriaal – zoals hout, gipsplaat en beton – weer andere voedingsstoffen voor verschillende schimmels.
Voorkomen
Schimmels in woningen en gebouwen ontstaan niet uitsluitend door vochtproblemen. Weliswaar verhogen lekkages en condensatie de groei van bepaalde soorten, maar ook opgedroogde vochtplekken, houtrot of juiste grote droogte trekken bepaalde soorten aan. Jos Houbraken, mycoloog bij Westerdijk Fungal Biodiversity Institute: ‘In grote lijnen is blootstelling van de mens aan schimmeldeeltjes onwenselijk en het is dus raadzaam om schimmelgroei te voorkomen en te beheersen.’
Daarbij gaat het niet zozeer om de schimmel zelf, maar om de deeltjes en sporen die hij loslaat. Deze deeltjes worden door de lucht verplaatst en kunnen daarbij ook in de longen terechtkomen. Uit wetenschappelijk onderzoek zijn geen concentraties bekend waarboven een significant gevaar voor mensen bestaat; in de wet- en regelgeving staat daarover dan ook niets vermeld. Wel zijn er richtlijnen. ‘Niet elke schimmel verspreidt evenveel deeltjes’ verklaart Houbraken. ‘Daarbij varieert het aantal sporen in de lucht met tijd, wind en beweging. Een meting uitvoeren die objectief aangeeft wat het deeltjesgehalte in een ruimte bedraagt, is dus eigenlijk niet mogelijk. Resultaten van luchtmonsters zijn altijd indicatief voor schimmelgroei in gebouwen.’
Schimmels in woningen kunnen ook ontstaan door opgedroogde vochtplekken.
De reden om schimmels in woningen te willen voorkomen en beheersen, hangt samen met de negatieve gezondheidseffecten. Gezonde mensen kunnen de sporen en deeltjes in principe aan, maar mensen met een lagere weerstand of bepaalde aandoeningen kunnen problemen ondervinden. Het gaat dan onder meer om de 750.00 astmapatiënten die Nederland rijk is, 1.750 mensen met cystic fibrose, 550.000 met COPD-aandoeningen en 1,2 miljoen mensen met diabetes. Ook ouderdom leidt bij de meeste mensen tot een zwakkere weerstand.
Wetenschappers geven aan dat causaliteit lastig is aan te tonen. Schimmels zijn immers overal en verder zijn er geen specifieke diagnostieken beschikbaar. Bovendien ontbreken in de meeste gevallen de acute effecten. Het is hierdoor lastig om de hoeveelheid schimmel in een bepaalde ruimte, op bewezen manier, in verband te brengen met bepaalde aandoeningen.
Hernieuwde aandacht
De aandacht voor schimmelvorming is de afgelopen jaren weer toegenomen. Dit heeft verschillende oorzaken. Zo is onder meer vastgesteld dat huurwoningen in 1 op de 3 gevallen last hebben van schimmel tegenover 1 op de 5 koopwoningen. Het loont de moeite om te onderzoeken of dit te maken heeft met de bouwkundige aspecten of juist met het gebruik van een woning.
Verder is de schimmelproblematiek in coronatijd verminderd; waarschijnlijk omdat mensen toen voortdurend thuis waren en de verwarming ook dientengevolge de hele dag brandde. Ná de coronapandemie trad het tegenovergestelde effect op, dat werd versterkt door de stijgende energieprijzen waardoor ruimtes op een veel lagere temperstuur werden gehouden. Energiearmoede is wat dat betreft een aanwijsbare factor voor de kans op schimmelvorming. Tevens bestaat het vermoeden dat ook klimaatverandering een bijdrage levert aan schimmelvorming door de toenemende hoeveelheid vocht (heftige regenval, overstromingen, stijgende waterspiegel).
Huurwoningen in 1 op de 3 gevallen last van schimmel
Tot slot neemt de aandacht toe vanwege het groeiend aantal woningen waarin biobased bouwmaterialen worden toegepast. Deze nieuwe bouwmaterialen werpen vooral de vraag op wat er – ook op langere termijn – te verwachten is met betrekking tot schimmelvorming. Van de meeste biobased materialen is bekend dat ze snel drogen na waterschade wanneer de relatieve luchtvochtigheid laag is. Verder nemen ze langzaam veel vocht op bij een hoge relatieve luchtvochtigheid en leidt een continue waterbelasting – bijvoorbeeld bij lekkage – tot een grotere kans op schimmelgroei. Ook op hennep is al een specifieke schimmel aangetroffen.
Goede ventilatie van woon-, slaap- en badkamers voorkomt veel problemen.
Onderzoek TNO
Samenvattend is er dus een toenemend risico op schimmelgroei bij een toenemend aantal mensen dat gevoelig is voor schimmels. Om die reden doet TNO onderzoek naar mogelijke maatregelen om schimmelgroei tegen te gaan en te beheersen. Hoe belangrijk dit onderzoek is, blijkt onder meer uit een Frans onderzoek van ‘The Veolia Institute’, waarin werd gekeken naar schimmelvorming in woningen die energiezuinig zijn gerenoveerd, wat tegenwoordig ook in Nederland veel gebeurt. De overall conclusie luidde dat in bijna de helft van de onderzochte woningen (47 procent) schimmels zijn aangetroffen. Vaak onzichtbaar. Deze niet-zichtbare schimmels zijn aangetoond met objectieve monstername (lucht/stof) waarin vaak verhoogde schimmelbelasting is aangetroffen. Het rapport concludeerde tevens dat energierenovatie de kans op schimmelvorming vergroot wanneer uitsluitend wordt gekeken naar isolatie terwijl er onvoldoende aandacht is voor ventilatie en vochtbeheer.
Wouter Borsboom, business consultant bij TNO: ‘Het voorkomen van schimmels in woningen is vooral een vraagstuk waarbij we bij nieuwbouw schimmels willen voorkomen en bij bestaande bouw vroegtijdig detecteren en effectief bestrijden. In het laatste geval wil je weten wat het handelingsperspectief is bij schimmelvorming en tevens de hoeveelheid en het soort schimmels vaststellen. Dat laatste om duidelijk te krijgen welke delen van de woningvoorraad eerste prioriteit hebben en waar eventueel relatief eenvoudig verbeteringen zijn door te voeren.’
Statistische analyse
Om te achterhalen wat de oorzaken van schimmels en de bijbehorende handelingsperspectieven kunnen zijn, heeft TNO gezamenlijk een onderzoek uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VRO waarbij gebruik is gemaakt van bestaande gegevens. Daarbij zijn voor de handelingsperspectieven twee doelgroepen geformuleerd. Enerzijds eigenaren, verhuurders en corporaties die de schimmelproblematiek willen aanpakken in hun woningen. Anderzijds de bewoners zelf die met hun ventilatie- en stookgedrag invloed hebben op de kans op schimmelgroei.
Het onderzoek beschouwt vier parameters: woningkenmerken, installatiekenmerken, bewonersgedrag en kenmerken van het huishouden of het gezin dat in de woning leeft. Bij woningkenmerken valt te denken aan het bouwjaar, het energielabel en of het een huur of een koopwoning is. Installatieparameters betreffen vooral het type ventilatiesysteem terwijl het gedrag van bewoners wordt beoordeeld op ventilatie-, stook- en douchegedrag. Wat de gezinskenmerken betreft zijn kenmerken onder andere het oppervlak per persoon, het aantal personen en het inkomen.
Voor deze parameters is vervolgens een statistische analyse gemaakt op basis van het Woononderzoek Nederland (WoON) en de daaronder vallende Energiemodule. Deze gegevens zijn gecombineerd met gegevens uit de basisregistratie personen (BRP). Borsboom: ‘De statistische uitkomsten zijn geduid en verklaard door experts en hebben geleid tot het formuleren van de gewenste handreikingen. Voor gevallen die daartoe aanleiding gaven, zijn aanbevelingen gedaan op het gebied van regelgeving.’
Bewoners zetten de mechanische ventilatie vaak te snel in de laagstand
Resultaten
Met betrekking tot schimmels in de verschillende woonruimtes richtten de analyses zich op de badkamer en de woon- en slaapkamers. Met betrekking tot de bad- of doucheruimte blijkt dat ook normaal douchegedrag kan leiden tot schimmels vanwege de tijdelijke hoge vochtproductie. De ventilatie-eisen vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn voldoende wanneer deze ventilatiehoeveelheden voldoende lang worden aangehouden. En dat blijkt een probleem te zijn: bewoners zetten de mechanische ventilatie vaak te snel in de laagstand.
Gaat het om slaap- en woonkamers, dan toont de analyse onder meer aan dat in woningen die na 1990 zijn gebouwd, schimmels minder vaak voorkomen dan in oudere woningen. In woningen die na 2000 zijn gebouwd, zijn zelfs helemaal geen schimmels meer geconstateerd in de verblijfsruimtes. Borsboom: ‘De belangrijkste verklaring voor dit positieve effect is dat de regelgeving met betrekking tot thermische isolatie en het reduceren van koudebruggen steeds strenger zijn geworden. Dit levert een verbeterde kwaliteit van de bouwschil op. Wat dat betreft zijn de effecten van het na-isoleren van oudere woningen minder succesvol en is het noodzakelijk aandacht te schenken aan lokale luchtlekken en koudebruggen.’
Voor specifiek de slaap- en woonkamer is er wel een verband gevonden tussen de kans op vocht of schimmels en het type ventilatiesysteem in combinatie met het ventilatiegedrag. Statistisch gezien is er geen uitspraak te doen over de kans op vocht en schimmels in verband met de bezettingsgraad. Borsboom: ‘In de laatste Woon Onderzoek is er overigens ook bij nieuwbouw schimmel geconstateerd. Een mogelijke verklaring is dat bewoners door de hogere energieprijzen de verwarming en ventilatie verminderen.’
In badkamers wordt de ventilatie vaak te snel op de laagstand gezet, met alle gevolgen van dien.
Op zich zijn de belangrijkste handreikingen voor eigenaren logisch, maar op basis van deze analyse wel onderbouwd. Ze omvatten onder meer het realiseren van een goede kwaliteit van de woningschil en het plaatsen van een geluidsarm mechanisch ventilatiesysteem. Voor doucheruimtes is het aan te bevelen om een nadraai- of vochtregeling toe te passen, de doucheruimte te compartimenteren of een douchecabine te gebruiken. Ook schimmelwerende materialen kunnen een bijdrage leveren hoewel er ook steeds meer discussie is over resistentie van schimmels tegen deze middelen.
Voor de woon- en slaapruimtes gaat de aandacht onder meer naar de afzuigkap in de keuken die voldoende capaciteit moet hebben (geen recirculatie). Binnenkort komt er via Binnenklimaat Nederland een door TNO opgestelde ontwerprichtlijn uit, die ingaat op situaties waarin de kookdampen niet direct naar buiten zijn te blazen zoals in appartementen. Hierin worden aanbevelingen gedaan over de plaats waar de afzuigkap het beste is te installeren en hoe hij is aan te sluiten op het ventilatiesysteem.
Meten en modelleren
De analyseresultaten zijn voor TNO aanleiding geweest om verder onderzoek te doen naar de bruikbaarheid van verschillende bestaande meetmethodes voor schimmel. Daarnaast wordt er gewerkt aan de ontwikkeling van nieuwe technieken – of een combinatie hiervan – die betaalbaar zijn voor grootschalige toepassing, zoals interventieonderzoek en monitoring. Bestaande methoden verschillen namelijk enorm in prijs en kwaliteit; variërend van dure professionele monstername en analyse in het lab tot aan eenvoudiger ‘mold detection kits’ waarmee metingen worden gedaan in een petrischaaltje.
Borsboom: ‘En uiteraard richten we ons op het effectief aanpakken van de oorzaken en het controleren daarvan. Dit is bijvoorbeeld mogelijk door sensorgestuurde kleppen toe te passen waarmee de afzuigcapaciteit in de badkamer en keuken is te regelen. Het ultieme doel is echter de ontwikkeling van voorspellende simulatiemodellen, waarmee kan worden onderzocht welke delen van de gebouwvoorraad een risico vormen en welke maatregelen effectief zijn om dit risico te verkleinen.’
De simulatiemodellen hebben als belangrijkste doel om de effecten van verschillende parameters op een comfortabel, gezond binnenmilieu en betaalbare energielasten te voorspellen. Daarbij uitgaande van bestaande of nieuwe woningen die gebouwd zijn met bepaalde materialen, voorzien zijn van een bepaald ventilatiesysteem en staande in een bepaalde omgeving. De modellen kunnen onder meer de effecten van gebruikerspatronen met betrekking tot ventileren, stoken en het produceren van vocht onderzoeken. Daarbij rekening houdend met klimaatscenario’s, effecten van nieuwe materialen en ook de eisen die de energietransitie aan systemen stelt om bijvoorbeeld netcongestie te voorkomen.
Borsboom: ‘De analyse van de resultaten van het Woononderzoek leidt tot het achterhalen van de oorzaken en het formuleren van handelingsperspectieven. Deze behoeven doorontwikkeling en validatie. TNO verricht dan ook onderzoek om betaalbare nieuwbouw en interventies mogelijk te maken die effectief zijn en schimmelrisico’s verminderen. Het gaat daarbij om grootschalig inzetbare en betaalbare meetmethodes voor de hoeveelheid en het soort schimmel en simulatiemodellen voor het identificeren van risico’s en het voorspellen van de effectiviteit van interventies. Ook dragen we bij aan innovaties om schimmel te voorkomen die betrekking hebben op ventilatie, verwarming en renovatiemaatregelen. Tot slot blijft het fenomeen energiearmoede een niet te onderschatten factor die ‘beter’ soms niet mogelijk maakt.’ <<
Informatie
Dongen L. van, Elferink V., et. al., ‘Tussen wensen en wonen - resultaten van het WoonOnderzoek Nederland 2024’, Ministerie van VRO, Den Haag, 2025 (www.woononderzoek.nl).
Tekst: ing. Marjolein de Wit - Blok
Fotografie: TNO, iStock/Mykola Sosiukin/Thurtell/Robert Heemskerk/Marcus Krauss
Meer weten over innovatieve technieken en ontwikkelingen?
Meld u dan nu aan voor onze gratis nieuwsbrief